"Het kind uit de dessa" - Soldaat G. Café


Joop 3

De vierdaagse vliegreis moest met tussenlandingen in Calcutta en Cairo onderbroken worden en met een Hollandse militair aan boord was dit in die Derde-Wereld landen nu eenmaal streng verboden. Humaniteit was in deze contreien, waar dieven nog de handen werd afgehakt en overspelige vrouwen werden gestenigd, een vunzig westers woord.

In het stadje Doorn, waar het “Militair Revalidatiecentrum Aardenburg “ is gehuisvest, werd Joop geleerd met een prothese te lopen. Dat gelukte voorlopig alleen met behulp van zijn krukken. Het was al zomer 1950 toen Joop nog steeds tussen zijn woonplaats Aalsmeer en Doorn pendelde.
Op een bloedhete dag, bij het spoorwegstation van Utrecht, wachtend op de bus naar Doorn, werd hij plotseling stevig aangesproken door twee man van de Militaire Politie. Leunend op zijn krukken had hij de euvele moed om zijn baret opgerold onder een van zijn epauletten te stoppen. Van zijn battledress had hij wegens de hitte de gesp even losgemaakt.

Volgens de M.P.ers, die zelf nog nooit kruitdamp hadden geroken, was dit een misdaad en wilden Joop op de bon slingeren. Joop bleef vriendelijk, hij was van nature vriendelijk, tenzij men hem het bloed onder de nagels vandaan treiterde. Hij vroeg de twee supermilitairen, met hun parmantige, met witte waterverf geblancode revolverholsters en enkelstukken, of zij hem een lift konden geven naar het revalidatiecentrum in Doorn. Nee dat kon niet, wat verbeeldde Joop de voddenbaal zich wel, zij hadden geen taxibedrijf.

Joop werd een beetje narrig maar vroeg toch beheerst of zij nu alsjeblieft wilden oprotten anders zou hij ze met een kruk het ziekenhuis in rammen. Overdonderd, met de staart tussen de benen, dropen de twee wetsdienaren af. Met een rood hoofd reden zij in hun mooie glanzende Jeep, die nog nooit zoals onze Jeeps door de modder was gekropen, Utrecht in, op zoek naar minder overtuigende militairen.

 

Joop werkte in zijn jonge jaren aanvankelijk als bloemist bij de firma de Grauw op de Uiterweg in Aalsmeer. Op de ‘Buurt’ zeggen zij daar. (Aalsmeerders noemen nu eenmaal graag de dingen anders dan zij bedoelen.) Enige tijd voor zijn militaire dienst nam hij ontslag en trad als hovenier in dienst bij de Gemeente Aalsmeer, dit maakte hem tot gemeenteambtenaar.
Het was wettelijk verplicht dat je werkgever je na je Indiëperiode weer in dienst moest nemen.

Joop meldde zich na zijn revalidatie dan ook bij het hoveniersbedrijf van de gemeente Aalsmeer. Helaas, hij was niet welkom. Toen Joop hen aan hun verplichtingen herinnerde kwam bij de burgemeester het hoge woord eruit. “Beste heer Winters, ik heb niets aan een invalide tuinman, voor het zelfde geld hebben wij een hovenier met twee benen”.

Burgemeester Pereboom Voller lapte de wet aan zijn laars maar moest toch bakzijl halen. Hij moest Joop weer in dienst nemen maar. Daarna kreeg Joop het wel moeilijk, hij kreeg vernederende baantjes en hij moest ook graven aan-harken.
Nu stond Aalsmeer sinds de grijze oudheid al bekend om zijn mallotige burgemeesters. Politieke figuren kregen bij gebleken ongeschiktheid middels vriendjespolitiek vaak een baantje als burgemeester toegespeeld. Toen al. Voor de oorlog, tijdens de crisisjaren, zwaaide burgemeester Kastelijn de scepter. Hij was de uitvinder van de kruiwagen met een laadvermogen van ruim 1 ton, de laadbak zou de inhoud van 1 kubieke meter krijgen. De 50 liter polderkruiwagentjes die de werklozen bij de werkverschaffing gebruikten vond hij grote verspilling. De arbeiders zouden met een grotere kruiwagen minder heen en weer hoeven lopen.