"Het kind uit de dessa" - Soldaat G. Café


Medisch student

Een aantal studenten medicijnen was op 2 juli 1947 bij de derde compagnie ingedeeld om een militaire basistraining van zes weken te ondergaan. Tijdens deze training leerden de a.s medici marcheren en in de houding staan en ook voor wie zij dat moesten doen. Het koper poetsen en hoe een geweer vast te houden werd hen bijgebracht en inplaats van het genezen van mensen werd hen nu ook geleerd hoe je snel een mens kunt doden. Na afloop van deze ontgroening mochten zij hun studie weer voortzetten, zij werden niet gedwongen naar Nederlands-Indië te gaan. De toen twintig jarige medisch student Jan Pieter Hoogenboezem koos er voor om met de derde compagnie mee te gaan naar Zuid-Sumatra als hospitaalsoldaat. In gewone soldatentaal noemden wij zo'n onontbeerlijke jongen 'hospik'.

Jan was behalve student ook een begaafd musicus, hij speelde voortreffelijk piano. Aan boord van het ss Zuiderkruis, in de recreatiezaal, speelde hij vaak klassieke muziek voor zijn kameraden. Na zijn aankomst op Zuid-Sumatra werd zijn talent al snel ontdekt door Radio Palembang. Na kort beraad nodigde de directie hem dan ook uit voor een carrière als musicus en medewerker bij de radio-omroep. Jan's commandant werd verzocht toestemming te verlenen voor overplaatsing; het strijdkrachtenprogramma van Radio Palembang zat enorm verlegen om jongens als Jan Hoogenboezem. De commandant weigerde echter elke medewerking en onze artistieke hospik geraakte hierdoor gefrustreerd. Enige tijd later werd Jan, door de Shell in Pladjoe, uitgenodigd om een pianoconcert te geven in de sociëteit van deze oliemaatschappij. Halverwege het concert werd hij echter door zijn commandant achter de piano weggehaald, Jan had hem geen toestemming gevraagd. De commandant ontnam hem de functie 'hospitaalsoldaat' en Jan moest gewoon als elke soldaat ook wachtlopen. Door de barbaarse opstelling van zijn commandant werd Jan's laatste stukje eigenwaarde vernietigd. Hij werd zwaar depressief en werd ter observatie opgenomen in het militair hospitaal 'de Benteng'. Later werd hij overgeplaatst naar Bandung om daar in therapie te gaan. Dat mislukte. Toen alle mogelijkheden uitgeput leken heeft men Jan, uiteindelijk, in september 1948 met het ss Groote Beer vervroegd naar huis gestuurd.

Behalve als troepenschip was de Groote Beer ook voor een groot deel ingericht als hospitaalschip om zieke en gewonde militairen naar Holland te brengen. Op 30 september 1948 werd Jan in de Indische Oceaan ter hoogte van de Malediven vermist. Uit het hospitaal was hij verdwenen en zoektochten op - en in het schip hadden geen resultaat.

 

 

Men begreep niet wat er was gebeurd. Was hij overboord gevallen of in zee gesprongen? Was hij door een medepatiënt bij een vechtpartij overboord geduwd? Veel van Jan's medepatienten waren namelijk door de verschrikkingen van de guerrillaoorlog van slag geraakt, sommige van hen waren half krankzinnig geworden en sommigen ook erg agressief. Vechtpartijen kwamen tijdens thuisreizen aan boord van de Groote Beer daarom ook regelmatig voor. Wat er precies met Jan is gebeurd zullen wij helaas nooit weten.


In september 1950 viel in Jan's ouderlijk huis in Utrecht een brief op de mat. Een brief van Prins Bernhard, aan Jan geadresseerd.
De ongedateerde standaardbrief die wij allen na terugkeer kregen toegezonden. "Bij uw terugkeer in het vaderland heet ik u van harte welkom, enz, enz." Het slot luidde "Waar het ondersteuning van redelijke verlangens betreft, zult ge steeds op mij kunnen rekenen. Dit was wel sympathiek maar Jan werd helaas al twee jaar vermist. Jan's vader heeft tegen deze onzorgvuldigheid een fel protest ingediend. Prins Bernhard's adjudant heeft toen persoonlijk bij Jan's ouders, namens de prins, excuses aangeboden. De prins die zich altijd enorm voor de Indiëgangers heeft ingezet stond door dit voorval in zijn hemd.

Door incompetente ambtenaren in den Haag was hij op het verkeerde been gezet. De administratie van vermiste en gesneuvelde jongens is tot op de dag van vandaag nog steeds een aanfluiting en ook het inlevend vermogen van de autoriteiten is gedurende de laatste halve eeuw nauwelijks toegenomen. Van Jan is nooit meer iets vernomen